Reisverslag 2002

 

Reisverslag Cité des Jeunes 2002

 

In dit reisverslag komt u een aantal maal het woord 'zwarte' tegen. Natuurlijk is dit niet discriminerend bedoeld, het is de juiste benaming. 
Net zoals wij 'Mzungu' (= blanke) zijn, noemen zij zich zwarten. Het woord 'neger' zou absoluut een verkeerde keuze zijn. In hun cultuur is dit zelfs een scheldwoord.

Zondag 16 juni 2002

Vertrek in Brussel om 11.30 uur. We vliegen met Hewa Bora, een Congolese maatschappij. Dit betekent in het Congolees zoiets als 'nieuwe vogel'. Nieuw is de vogel absoluut niet, maar het vliegen is geen probleem. In het vliegtuig ziet het zwart van het volk, maar het zit toch maar halfvol. De reis is verder zeer voorspoedig verlopen. Om ongeveer 19.00 uur komen we aan in Kinshasa. We worden onder aan de vliegtuigtrap opgewacht door het personeel van Hewa Bora, die ons, met behulp van een pen en een nietmachine, direct doorloodsen naar een ander vliegtuig ook van Hewa Bora. Waarschijnlijk is dit de vader of moeder van het toestel van vanmorgen. Zeer snel en correct geregeld. Binnen een half uur zijn we weer op weg naar Lubumbashi. Daar landen we om ongeveer 22:00 uur. De douaneformaliteiten worden voor ons verricht door mensen van Cité des Jeunes.
Na aankomst op Cité des Jeunes om 23.30 uur zijn we meteen naar onze kamer gegaan en gaan slapen. Ton heeft de beschikking over een ruim 3 persoons bed en ik moet het doen met een kinderbedje in de hoek van de kamer.

Maandag 17 juni 2002

Vandaag hebben we van pater Manu een rondleiding gehad op Magone. Dit is het project waar hij de scepter zwaait, en ook de plaats waar de schoenmakerij voor bedoeld is. Het is fantastisch om te zien dat alle machines en materialen goed zijn aangekomen. Morgen begint het met werken. Alle materialen zijn namelijk in twee ruimten 'gestockeerd' zoals Manu zegt. (Ik zou zeggen geflikkerd!) Hij is geweldig in zijn sas met de materialen, en weet nog niet half wat hij allemaal gekregen heeft. Namiddag hebben we eenzelfde tour door Cité des Jeunes gehad.

By the way, het is hier nu hartje winter. De zwarten lopen met jassen aan, dassen om, en mutsen op. Het weer is hier nu, net als bij ons op een mooie zomerdag. Volgens Manu is dit de perfecte tijd voor iemand uit Europa, om CDJ te bezoeken.
Vanavond hebben we gegeten op Bakanja. De maaltijd bestaat uit hetzelfde als vanmiddag, soep, kip, rijst, worteltjes en een soort andijvie. Ditmaal aangevuld met brood, kaas en worst (die wij meegebracht hebben) en om te drinken bier of cola. Ook hebben we hier pater Eric leren kennen. Hij werkt op de procuur in Lubumbashi, en is daar vooral betrokken met het verzamelen van geldelijke middelen ten behoeve van diverse projecten.
Tijdens de gaande gesprekken leggen pater Eric en pater Manu ons de specifieke problemen uit m.b.t. de opvang van de daklozen. Ik zal eerst eens een uiteenzetting geven over de plaatsen van opvang, en dan start ik aan de onderkant van de ladder.

BAKANJA VILLE

Is een vluchthuis voor zwerfkinderen in de stad Lubumbashi.

Bakanja
Ligt op het terrein van CDJ. Dit is een dagopvang voor kinderen die uit Bakanja Ville geselecteerd worden. Hier krijgen ze een stukje onderricht en verder wordt er door maatschappelijk en sociaal werkers geprobeerd deze kinderen weer met hun familie in contact te brengen.

Magone
Dit is het huis waar de schoenmakerij voor bedoeld is. Hier worden jongeren opgevangen die wat niveau betreft te slecht zijn voor CDJ. Het zijn al wat 'oudere' jongeren, leeftijd 15 tot 17 jaar die geen opleiding gehad hebben en als gevolg daarvan analfabeet zijn. Volgens Manu vereist het opleiden van deze jongens een speciale aanpak.

Cité des Jeunes
Deze kinderen kunnen na een algemene vorming hier een vak leren. Wij hebben de werkplaatsen van de diverse ambachten gezien en in onze ogen zijn ze fantastisch van opzet. Er is een goede struktuur die al een reeks van jaren kwalitatief goede vaklui aflevert.

Het grote verschil tussen de projecten is, dat Cité des Jeunes enigszins wat inkomsten kan ontvangen uit werk voor derden, terwijl Bakanja, en Bakanja Ville alleen maar geld kosten. 

Het opvangen van deze kleine kinderen geeft namelijk geen inkomsten.

Dinsdag 18 juni 2002

Vanmorgen hebben we een eerste aanzet gemaakt voor het inrichten van de schoenmakerij op Magone. Om te weten wat we allemaal hebben, moeten we eerst orde scheppen in de hoeveelheid aan materiaal dat aangekomen is. Een van de ruimtes waar de spullen nu liggen moet dienst gaan doen als magazijn. We gaan die eerst inrichten met stellingen. We hebben alles opgemeten en een paar schetsen gemaakt en Ton is sammet Manu het materiaal gaan bestellen op de metaal en houtafdeling van CDJ. Ze hebben afgesproken dat er eerst een proefexemplaar gemaakt zal worden. Als deze voldoet, zullen er in totaal 21 van deze standaards gemaakt worden. De kosten hiervoor worden betaald uit het budget voor de schoenmakerij.

Terwijl Ton en Manu naar CDJ zijn heb ik intussen in de schoenmakerij twee stikmachines in orde gemaakt. Een stikmachine doet het niet omdat daar synthetisch garen op gebruikt hebben. Synthetisch bovengaren is geen probleem, maar het spoelgaren moet katoen zijn. De andere stikmachinis verder van kant. Toch is het gelukt ook deze in orde te maken.

We hebben vanmorgen wel pech. De elektriciteit is uitgevallen. Het gebruik van machines is dus voor ons onmogelijk, maar dat geldt ook voor de metaalafdeling van CDJ, met als gevolg dat onze bestelling nog geen doorgang kan vinden. Ons plan moest dus aangepast worden. Ton is daarop met twee jongens in het magazijn orde gaan scheppen. De belangstelling is groot. Na een tijdje is het aantal werkwillige zwarten opgelopen naar 12 en wordt de chaos alleen maar groter. Wel is het sorteren van voetbedden op maat goed voor de Franse les. Trente-six, trente-sept enz.

Ondertussen heb ik de schoenmakers de techniek voor het repareren van een voetbal bijgebracht. Dit kan namelijk zonder elektriciteit. 

Na het plaatsen van een nieuwe binnenbal moet de bal met de hand weer worden dichtgemaakt. Niet moeilijk als je weet hoe dat moet, maar dat is waarschijnlijk met alles zo. Er gaat een wereld voor hun open, en er wordt geapplaudisseerd als ik weer een aantal steken dichttrek. Ze zijn slim en na een minuut of tien neemt een van de schoenmakers het van mij over. Het uiteindelijke resultaat laat niet lang op zich wachten. De bal wordt opgepompt en is weer klaar voor een wedstrijd.

Pater Manu benadrukt nog eens dat dit zeer belangrijk is. Sport is belangrijk voor deze jongens Een leren voetbal is hier onbetaalbaar en langer bestand tegen het terrein waarop gespeeld wordt. Het voetbalterrein hier ziet er hetzelfde uit als de grasmat van de Amsterdam Arena, maar dan zonder gras!

Omdat we met de schoenmakerij niet echt verder kunnen, gaan we in de namiddag samen met een Belgisch echtpaar (Jan en Jacinta) naar twee andere projecten van de Salesianen in Ruashi. Het eerste project dat we bezoeken is Maison des Jeunes, en het tweede project is een boerderij genaamd ChemChem. Beide projecten dienen hetzelfde doel maar zijn kleiner van opzet dan CDJ. Op het tweede project hebben we een visvijver bezocht waar men juist een net vol met vis had uitgetrokken.
Ook hebben we daar de fabricage van stenen gezien. Het zand voor de stenen haalt men uit een termieten-heuvel. Het wordt in een handpers geschept en na het persen te drogen gelegd. Na het drogen worden de stenen dusdanig opgestapeld en ingepakt om er vervolgens gedurende 4 dagen en nachten een vuur te stoken.

Na deze tour gaan we in Lubumbashi nog even op bezoek bij twee Italiaanse leken die hier voor een periode van twee jaar werkzaam zijn. Het fris is lekker en de cake aangebrand.
Na terugkomst hebben we op Bakanja gegeten. Belgische frieten, met Belgische mayonaise. We gaan op tijd terug naar CDJ, waar we nog een gesprek hebben met pater Etienne, de econoom van CDJ.

Woensdag 19 juni 2002

Nu wil ik zeker niet gaan klagen, maar we hebben het een partij druk dat hou je niet voor mogelijk. 

Vanmorgen zijn we na het ontbijt naar Magone gegaan om het werk in het nieuw in te richten magazijn voort te zetten. We hebben nog steeds de pech dat er grote problemen zijn met de elektriciteit. De grootste pech is dat de metaalafdeling van CDJ niet kan lassen. Dus de staanders voor de nieuwe rekken zijn nog steeds niet klaar. Een groot deel van de dag hebben we gevuld met het sorteren van de enorme partij voetbedden van WEK uit Kaatsheuvel. Deze gift bestaat uit een totaal van zo’n 15.000 paar voetbedden. Tot op het laatste paar kunnen die allemaal verwerkt worden. Met een onderbreking van de lunch tussen de middag zijn we daar tot 18.00 uur aan bezig geweest.

Afgesproken dat we gaan douchen en om 19.00 uur terug op Bakanja voor het avondeten. Aangekomen op onze kamer in CDJ hebben we geen licht en geen water. Omdat het licht op onze badkamer wel brandt en het stopcontact op de kamer het wel doet ben ik in de veronderstelling dat de TL stuk is. Maar verder onderzoek leert dat het waarschijnlijk aan een elektriciteitsgroep ligt die uitgevallen is. In het donker omkleden dus en wat deodorant in plaats van een douche.

Na het avondeten op Bakanja zijn we met Pater Eric naar Bakanja-Ville gereden. Dit is een vluchthuis voor de straatkinderen (tot 18 jaar) in Lubumbashi. Het huis wordt per dag door zo’n 250 kinderen bezocht. Deze opvang geldt alleen voor jongens. Voor de meisjes zijn er opvanghuizen die geleid worden door zusters van Don Bosco. Overdag zijn het vooral de 'oudere' jongeren die daar komen om zich te douchen, hun kleren te wassen of om eten te koken. Dit gebeurt allemaal in de open lucht. ‘s Avonds zijn het vooral kleine kinderen die komen voor onderdak. Die avond zijn er 111 kinderen.
In het huis gelden 3 regels: Men mag er niet roken, geen drugs gebruiken en men moet bij binnenkomst altijd een volwassene groeten. Alle kinderen die gebruik maken van Bakanja-Ville worden geregistreerd en per dag wordt hun aanwezigheid genoteerd. 

Er werken 4 sociaal werkers om uit te zoeken waar de kinderen vandaan komen, wie de ouders of familie zijn, en men probeert te bemiddelen bij het terugplaatsen van de kinderen in het gezin.

Er zijn diverse redenen waarom deze kinderen op de straat komen. Het overlijden van de ouders is er een van. Als de familieclan besluit om niet voor het kind te zorgen is het op de straat aangewezen. Ook worden kinderen het huis uitgezet vanwege tovenarij. Als de familie getroffen is door een noodlot geeft men een kind daar de schuld van. Pater Eric haalt zelfs een gezin aan waar twee van de kinderen om die reden op straat gezet zijn en waarvan hij binnenkort ook nog een neefje verwacht. Voor ons onvoorstelbaar.
Na dit bezoek rijden we nog langs de procuur. Even een mailtje naar huis sturen. Daarna rijden we terug en zijn om ongeveer 22.00 uur weer op CDJ. Het licht op de kamer doet het nog steeds niet, dus met het kleine beetje licht uit het toilet werk ik dit verslag nog uit. Welterusten!

Donderdag 20 juni 2002

Ik ben vanmorgen al om 7.00 uur op, Ton slaapt nog. Ik heb eerst een aantal e-mails gemaakt om vanavond aan pater Eric mee te geven. Deze verstuurt ze dan vanaf de procuur.
Na een ontbijt op CDJ gaan we te voet weer in de richting van 'onze' schoenmakerij. Er is een prototype klaar van de standaards die we besteld hebben. Er zitten nog enkele fouten in. Die zullen nog aangepast worden. Waarschijnlijk kunnen we morgen al over enkele goede exemplaren beschikken.
De rest van de morgen besteden we aan de schuurmachines in de werkplaats. Ze hebben de machines in de werkplaats geplaatst, elektrisch aangesloten en schuren maar. Echter geen van de machines is van een stofzak voorzien. Bij een van de machines was de stofzak los bijgeleverd maar pas nu blijkt dat deze op die machine niet past. Ik heb hem provisorisch aangepast en zal bij een volgend bezoek een passende stofzak meenemen. De stofzak van de andere schuurmachine is nog niet boven water. Waarschijnlijk zit die nog tussen de rest van de spullen, die komt er wel uit als we het magazijn en dus ook alle materialen op orde hebben.

Wat later in de middag gaan we met pater Manu naar een boerderij genaamd Jacaranda. Deze ligt op ongeveer 8 kilometer van Lubumbashi. We vertrekken met de jeep, een Mahindra. Lachend verteld pater Manu dat niet de we hier gevaarlijk zijn, maar dat vooral het rijden met deze Mahindra niet zonder risico is. Wij rijden over zeer slechte wegen die we slechts delen met een paar fietsers met een enorme lading houtskool en wat vrouwen die langs de weg lopen met grote lasten op hun hoofd en een kind op de rug. Onderweg merken we dat er rook uit de vloer van de auto komt en vragen pater Manu of misschien zijn schoenzolen in de brand staan. Pater Manu zegt dat hij zich pas zorgen maakt als er geen rook meer uitkomt.

We rijden het terrein van de boerderij op en de jeep houdt vanzelf op met rijden. Naar het schijnt is er een slang stuk en is hij onderweg al zijn koelvloeistof verloren.
Dat weerhoudt ons echter niet om de boerderij uitgebreid te bekijken. De boerderij is 4 jaar geleden door de Salesianen aangekocht om als project voor de kansarmen te dienen. Op dit moment zijn er 21 jongens intern. Gelijk alle andere projecten krijgen de jongens hier basisonderwijs. In dit geval een opleiding in de landbouw. We lopen over het terrein en zien bananenbomen, papaja en een jonge aanplant van citroenen en mandarijnen. Ook hebben ze juist 3 visvijvers gegraven voor het kweken van vis. Verder heeft de boerderij 51 koeien en houdt men kippen en konijnen. Het terrein loopt glooiend af en achteraan tegen de rivier heeft men een proefveld met daarop rijst. De eerste resultaten om rijst te gaan kweken zijn zeer bemoedigend.
Na onze ronde over het terrein komen we terug bij de Mahindra en de jongens zijn erin geslaagd het ding weer te maken. Over dezelfde stoffige wegen hobbelen we terug naar Magone.

‘s Avonds eten we op Bakanja, kletsen nog even na met pater Manu en pater Eric om daarna op tijd naar CDJ te gaan. We moeten nog wat aan onze verslagen werken en willen het niet zo laat maken.

Vrijdag 21 juni 2002

Vanmorgen zijn we op Magone meteen doorgelopen naar de lasserij. Men is begonnen aan de staanders en na ongeveer een uur komen de eerste drie staanders aan op de schoenmakerij.
We denken dat we aan de slag kunnen maar dat valt toch zwaar tegen. Alles wat voor ons normaal is, is hier niet voor handen. Er gaat enorm veel tijd op aan het bij elkaar zoeken van de juiste gereedschappen. Passende schroeven, een schroevendraaier een waterpas of een boormachine. Op Magone is relatief weinig materiaal maar op Cité des Jeunes beschikt men wel over meer materiaal. We lopen steeds van CDJ naar Magone en vice versa. Een afstand van ongeveer 500 mtr. Dit resulteert er dan in dat we vanmorgen alleen al een uur kwijt zijn aan het bij elkaar zoeken van 9 houtdraadbouten, bijpassende pluggen en een juiste steenboor. Als we dan willen beginnen missen we nog een verlengkabel. Het magazijn is zo’n 10 meter diep, met slechts aan een zijde een stopcontact. We vragen een zwarte om 'une rallonge'. Die komt dan even later terug met een verlengsnoer met een lengte van ongeveer 1 meter. Bon, c’est trés bien, maar dan graag 10 maal langer. Dus wij daarop maar weer naar CDJ op zoek naar 'une rallonge'.

Dan denken we de strijd te hebben gewonnen. Compleet uitgerust staan we klaar om te beginnen. Het eerste gaatje is geboord, een schroef erin en op naar het tweede gaatje. En dan valt de stroom weer uit! In totaal moeten we 252 gaatjes boren en daar even zoveel schroeven in draaien. Het zijn 'gewone' schroeven. We moeten ze dus met de hand erin draaien.

Wat later in de namiddag lopen we nog met twee jongens van de schoenmakerij een flink rondje om Cité des Jeunes. Op een doorgaande weg hebben we al snel een enorme fanclub van kinderen achter ons aan. Deze kinderen zijn straatarm, lopen met vodden aan hun lijf, maar lachen en spelen. Ze voetballen met een eigen gemaakte voetbal van papier met daaromheen aan ringen geknipte autobanden. Het speelgoed is gemaakt van oude blikjes en ijzerdraad.

‘s Avonds na het eten hebben we een klein 'feestje'. Jan, de man van Jacinta, gaat morgenvroeg naar huis. Er worden kleine toespraakjes gehouden, die wij door onze minimale kennis van de Franse taal slechts gedeeltelijk begrijpen. De intentie is echter zeer duidelijk. Ze zijn Jan zeer erkentelijk voor zijn inzet voor de kinderen van Jacaranda en belonen hem daarvoor met een prachtige blouse 'avec beaucoup de couleure locale'. Zijn vrouw Jacinta blijft hier nog een langere periode als vrijwilligster.

Aansluitend hebben we nog een gesprek met pater Eric. Hij vertelt ons nog wat over de 'Afrikaanse solidariteit'. Dat betekent dat iemand die een baan heeft en een klein beetje geld verdient, dit moet delen met de rest van de familie. Een voorbeeld daarvan is onze kokkin op Bakanja die weduwe is. Zij onderhoudt met haar salaris 14 personen! Bij de plaatselijk kopermijnen is er in het verleden een onderzoek naar gedaan. Daaruit bleek dat er van een salaris gemiddeld 15 personen leven.
Het nadeel van deze zogenaamde solidariteit is, dat als iemand ook maar enigszins zijn best doet om het financieel iets beter te doen, hij de gehele familie op sleeptouw krijgt. Met zo’n ballast aan je lijf is het vrijwel onmogelijk om boven het gemiddelde uit te stijgen. Elke intentie hiertoe wordt op deze wijze in de kiem gesmoord.

Zaterdag 22 juni 2002

Vanmorgen is het bewolkt en zelfs voor onze begrippen is het fris.
Gisteren was een dag met enorm veel tegenslagen. Alles wat we van plan zijn neemt (te) veel tijd in beslag en de meest simpele dingen zijn hier haast onuitvoerbaar omdat je niet over de juiste materialen of gereedschappen beschikt.
Op Magone aangekomen staan we in 'ons' magazijntje te kijken naar de eerste twee rekken die we gisteren provisorisch overeind hebben gezet. Toch moeten we ergens beginnen en de eerste de beste doos die ik verplaats heeft als resultaat dat de twee rekken tegen de vloer gaan.
Je maintiendrai!
We laten ons niet klein krijgen. Volgens Nico uit 'Eigen Huis en Tuin' moet elke nul kunnen 'doehetzelven' dus waarom wij niet.

We hebben er veel van geleerd en beginnen opnieuw. Het eerste rek staat weer overeind. We worden overmoedig en ook het tweede rek staat binnen de kortste keren. We krijgen de smaak te pakken en als we ‘s avonds naar CDJ terugkeren hebben we in totaal 4 van de 7 rekken overeind en die staan als een huis. We zijn zeer tevreden. De jongens van de schoenmakerij zijn zelfs al begonnen met het uitpakken en sorteren van alle materialen.

Misschien vraagt u zich af wat dit allemaal toch met de schoenmakerij te maken heeft. We hebben hier nu zoveel goed materiaal. Daar is echter niet mee te werken als het niet fatsoenlijk bereikbaar is. Het inrichten van dit magazijntje is essentieel voor de schoenmakerij. De keuze om nu voor twee weken te gaan was absoluut de juiste. Als Pieter en ik hier het najaar terug kunnen komen  we gelijk aan de slag en zullen binnen afzienbare tijd een productie kunnen starten. Dit zou anders in een periode van twee weken nooit mogelijk zijn geweest.

Morgen is het zondag. We gaan dan om 7.30 uur naar de kerk. We hebben in de loop van deze week het kerkkoor zien en horen oefenen en dat willen we niet missen. Wel heeft men ons al gewaarschuwd voor de preken van de inlandse priesters die enkele uren kunnen duren. (We zullen wel kort bij de uitgang gaan zitten!) Na afloop van deze dienst zullen we naar Bakanja gaan. Daar komen dan de zwerfkinderen uit de stad. Ze kunnen zich daar wassen, krijgen een maaltijd en ook voor hun is daar dan een dienst.

In de namiddag hebben we afgesproken met monsieur Floribert. Dat is 'le patron du Cordonniers'. Hij heeft in de betere jaren van Congo hier in een schoenfabriek van een Nederlander gewerkt. Ene 'monsieur Hendriks'. Floribert is een echte vakman, die van niets iets kan maken. Ik heb hier leesten gezien die hij met behulp van enkele stukken leer groter gemaakt heeft en voorzien heeft van een carré neusmodel. Ik heb hem al meerdere malen gezegd dat hij geen 'cordonnier' is maar een 'artiste'. Ongelooflijk wat die man presteert met zo weinig middelen. Jammer is dat hij een beetje een 'einzelgänger' is. Hij werkt het best alleen en beschikt over minimale capaciteiten om het aan de rest van de jongens over te brengen. Maar leergierig als de jongens zijn is ook hun niveau van schoenen maken voor Congolese begrippen zeer verdienstelijk.
Helaas is een paar schoenen voor een gemiddelde Congolees niet betaalbaar. Het is dus belangrijk dat we een kleine productie starten van eenvoudige betaalbare 'babouche et des sandale'. Door de eenvoud en de snelheid van produceren worden deze voor de Congolese markt betaalbaar en kan de schoenmakerij over wat inkomsten gaan beschikken.

Zondag 23 juni 2002

Vandaag is het zondag en wordt er niet gewerkt.
‘s Morgens vroeg om 7.30 uur zitten we al in de aula, die vanwege de grote belangstelling, ook dienst doet als kerk. De preek duurt 28 minuten. Volgens pater Etiënne zijn we er nog genadig van afgekomen. Hij leert de priesters in opleiding, dat ze moeten preken voor het volk en niet voor zichzelf.
De dienst doet mij een beetje denken aan de film 'Sister Act' met Woopi Goldberg. De meerstemmigheid en het ritme van het koor is gewoonweg fantastisch. Ze zingen en swingen en je kunt horen en zien dat het in hun genen zit. Zelfs de vier misdienaars bewegen ritmisch op de muziek als in een gospelkoor.

Na de dienst op CDJ gaan we naar Bakanja. Als wij aankomen is ook daar de dienst aan de gang. Deze dienst is voor de interne kinderen van Bakanja maar ook voor de straatkinderen uit Lubumbashi. In deze dienst zijn ruim 300 kinderen. Enkele internen vormen een koortje dat, begeleid door 2 trommels en een houten ritme instrument, ook deze dienst tot een typische Afrikaanse dienst maakt.
Na deze dienst krijgt elk kind een stukje zeep en kunnen ze in een daarvoor ingerichte ruimte zichzelf en hun kleren wassen. Ze lopen poedelnaakt rond, wassen zichzelf en schrobben hun 'kleren'. Eigenlijk zijn het allemaal vodden. We helpen waar wij kunnen. Niet dat wij kleren kunnen wassen, maar uitwringen kunnen we als de beste.

Als we bijna klaar zijn komen er twee kleine kinderen op me af. Zij kijken zeer meelijwekkend en spreken alleen maar Swahili maar ik begrijp eruit dat zij geen zeep hebben. Ze hebben hun eigen 'kleren' nog aan en zijn niet gewassen. Al moet de onderste steen boven komen, ik laat deze kinderen zo niet staan. An, een Belgische vrijwilligster zal hun 'kleren' wassen. Ik regel wat zeep en neem ze mee naar de douches.
Na het wassen neem ik ze mee naar An die ondertussen hun kleren gewassen heeft. In de zakken van de kinderen vindt zij de zeep die ze eerder gekregen hebben. Ondertussen hebben beide kinderen zich weer ingesmeerd met zeep. Potverdorie, zo kunnen ze geen kleren aan. Ik pak de eerste op, zet hem in een bassin en overgiet hem met een emmer water. 

Nog voor ik de tweede schoon heb, heeft de eerste zich weer met zeep ingesmeerd. Weer afspoelen en vlug met de natte kleren naar buiten om te laten drogen. Later zie ik buiten dat ze zich weer aan het inzepen zijn. Volgens pater Eric doen ze dit tegen het uitdrogen van de huid. Wist ik veel!
De kinderen laten buiten hun kleren drogen en lopen en spelen poedelnaakt over het terrein. Sommigen dragen een plastic zak als onderbroek!
Daarna krijgen de kinderen te eten. Ze krijgen allemaal een gebakken visje en een bolletje maïsmeel met wat sojasaus. Na deze 'lunch' wordt er een film gedraaid. Voor hun een welkome afwisseling, waar ze geheel in opgaan

Wij worden om 14.00 uur opgehaald door monsieur Floribert. Samen met pater Manu gaan we bij hem op bezoek. Het huis van Floribert is een zeer bescheiden lemen hut van ongeveer 5 bij 8 meter. Hij heeft elf kinderen en 17 kleinkinderen. Volgens de eerder al eens besproken 'Afrikaanse solidariteit' leven ze hier met 16 personen. Kinderen, aangetrouwden en kleinkinderen. Allemaal op het salaris van Floribert.

We hebben wat koeken, eieren en een zak snoep meegenomen. Voor de kleinsten wat ballonnen en kleurpotloden. Na wat fris, wat popcorn en pinda’s nemen we afscheid van hun en lopen terug naar Bakanja.
Gaandeweg komen we steeds meer te weten over de specifieke problemen m.b.t. de opvang van straatkinderen. Je zou er misschien niet aan denken maar ook deze kinderen kunnen ziek worden en verzorging nodig hebben. Op Bakanja hebben ze een eigen dispensair. Kleine verwondingen kunnen hier verzorgd worden. Ook hebben ze enkele bedden voor een opname indien dat nodig is. Voor de wat meer serieuze zaken zijn ze aangewezen op het ziekenhuis in Lubumbashi. Pater Manu vertelt ons dat hij in de maand mei 4 jongens aan een blinde darm heeft laten opereren.
Kosten per operatie US $ 100,00!

Eerder heb ik al aangegeven dat de opvang van deze kinderen geen inkomsten opbrengt, maar alleen maar geld kost. Voor deze opvang zijn ze afhankelijk van giften. Een van de weinig inkomsten is de groentetuin die door de internen zelf onderhouden wordt. Buiten het feit dat men er zelf van eet, leveren deze groenten zo’n US$ 6.00 per dag op.

Maandag 24 juni 2002

De werkweek is weer begonnen. Maar niet in onze schoenmakerij. Vanmorgen zijn we met Jacinta en père Deo, de geestelijke van Bakanja, naar Lubumbashi geweest om wat inkopen te doen. Je moet je daar niet al bij voorstellen, maar toch willen we een aandingen kopen als souvenir en wat cadeautjes voor het thuisfront. Met een bezoek aan de procuur erbij, om onze e-mail te verzenden, zijn we toch een halve dag kwijt.

Namiddag gaan we weer aan de slag. We staan er nu heel anders voor. Er werkt op Jacaranda een Belgische elektricien die af en toe op CDJ of Magone komt kijken. Hij heeft twee schroefmachientjes bij zich, waar wij er een van mogen lenen. Ook hebben we op CDJ kruiskopschroeven gevonden. De wereld ziet er nu weer heel anders uit. Het werk vordert gestaag en we hebben binnen no-time weer twee rekken overeind staan. Nu zien we pas echt hoe we uitkomen.

We zijn ook al begonnen om alle dozen en kratten uit te laden en in de rekken te sorteren. Alleen zo is er met die hoeveelheid aan materiaal te werken.
Op het eind van onze werkdag komt pater Emiel kijken naar 'ons' magazijntje. Pater Emiel is verantwoordelijk voor de timmerwerkplaats en heeft voor ons het hout geleverd en op maat gezaagd. Hij wist echter niet wat we precies aan het maken waren en had beloofd eens te komen kijken. Het doet goed om van een vakman te horen dat we het goed gedaan hebben. 'Een slim en eenvoudig doch degelijk systeem om rekken te maken'. Zelfs een schoenmaker en een sorftware-ingenieuw kunnen het (met dank aan Nico).

We leven hier in een zeer gemêleerde wereld met een zeer gemêleerd gezelschap. Daarmee bedoel ik dat wij Nederlanders zijn, er Vlaamse en Waalse paters zijn in een land waar de zwarten ook nog Swahili spreken. Ons Frans idioom komt weer helemaal naar boven en we leren het meest elementaire Swahil. Hier volgen een paar woorden, genoeg om hier mee door de straat te lopen.

   

Nederlands Frans Swahili
Goedendag Bonjour Jambo
Hoe gaat het? Comment ça va? Habari?
Goed Bien Musuri
Zeer goed Très bien Musuri Sana
Waar ga je naar toe? Où allez vous Una kwenda Wapi?
     

Een andere hoofdbreker hier is de valuta. We hebben te maken met 5 verschillende valuta. Wij hebben de Euro, maar willen toch nog weten hoeveel Hfl. het zijn. Iedereen hier weet van de Euro, maar rekent nog in BFr. en in het land rouleert de Congolese Frank, maar alles moet betaald worden in US$. Je moet dus een spreadsheet hanteren om te weten wat je betaald hebt. Omdat pater Manu al zo lang in de Congo werkt is zijn Nederlands, of Vlaams, niet meer al te best maar in ieder geval toch nog beter dan ons Frans. Hij gebruikt doorlopend Franse woorden en kan dan zo snel niet op het Nederlandse woord komen. Een van woorden waar wij erg schik in hebben is het Franse woord récupérable wat in het Nederlands hergebruik betekent. Natuurlijk is hergebruik zelfs bij ons een goede zaak maar als je ziet wat hier allemaal gerécupéreerd wordt, dat is toch wel van een heel andere dimensie. Materialen die bij ons in de vuilniszak verdwijnen worden hier dus 'gerécupéreerd'. Toen we van de stad terug naar huis reden zag ik een vuilnisbelt, waarop Ton de opmerking maakt; "dat is geen vuilnisbelt, maar allemaal récupératiemateriaal!".

Als we laat in de middag op onze kamer terugkomen hebben we wel elektriciteit, maar nu geen water. Dan maar weer wat deodorant.

Dinsdag 25 juni 2002

Na een paar uut werken hebben we de rekken klaar. We zijn nu volop bezig al het materiaal uit te pakken en in de nieuwe rekken uit te sorteren. Een werkje waar we zelf wel bij zijn, maar het goortste werk doen de jongens.

Wij zijn ondertussen in de schoenmakerij een bank aan de muur aan het monteren om daar kleine haak- en ringmachientjes op te monteren.

Mijn werktempo ligt vandaag laag. Het gaat me niet best af. Het lijkt wel of ik moe ben en ik moet de hele dag door gapen. Ik slaap hier niet al te best. Als ik naar bed ga, kan ik de slaap niet 'pakken'. Ik heb op voorhand uit Nederland een slaapmedicatie meegekregen en daar maak ik nu met regelmaat gebruik van. Iets wat voor mij thuis ondenkbaar zou zijn.

Namiddag gaan we met pater Manu naar Salama. Dat is een technische school in Lubumbashi. Een vakschool opgericht in de vijftiger jaren. Voor die tijd moet datzeer moderne school zijn geweest naar Europees voorbeeld. Met de onafhankelijkheidhier is dit echter een staatsschool geworden. Deze wordt nu nog geleid door de Salesianen. Mijns inziens is sedert dien hier de tijd stil blijven staan We hebben er draaibanken zien staan die ze in de zeventiger jaren van de spoorwegen gekregen hebben. Voor de spoorwegen waren die toen al afgeschreven. Dat is niet te wijten aan het onderwijs en inzet van de Salesianen maar meer aan het ontbreken van overheidssteun. Het enige wat de overheid doet is het betalen van 10% van de salarissen. De rest moet door de leerlingen bijeengebracht worden. Aansluitend hebben we nog een gesprek met de directeur van deze school. Een jonge zeer vooruistrevende man die nog grootse plannen heeft. Het starten van een hogere informatica opleiding ligt nog in het vooruitzicht.

Morgenmiddag hebben we een afspraak met monsieur Kaseba. Hij is de burgemeester van Lubumbashi en een grote vriend van Gerrit van Asperdt, de stichter van Cité des Jeunes. De vrouw van monsieur Kaseba heeft een aantal jaren op het kantoor van Gerrit in Brussel gewerkt.

Woensdag 26 juni 2002

Vandaag ben ik zelfs mijn doel voorbij geschoten. Ik heb enkele sandalen gestanst. Dit was zeker niet de intentie, maar ik kon de verleiding niet weerstaan.

Ik ben schoenhersteller en weet in theorie wel hoe alles gemaakt wordt, maar praktische ervaring in een schoenfabriek heb ik niet. Dat is het werk van Pieter. Toen we hier aankwamen lagen er al enkele stansmessen in de schoenmakerij. De rest van de stansmessen en patronen staan nog ingepakt in het magazijn en blijven daar staan voor Pieter. Op die manier voorkomen we, dat door verkeerd gebruik, de messen stuk gaan of misschien verloren gaan.

Deze essen zijn zeer essentieel voor dit project. Dat wij in deze schoenmakerij onderdelen kunnen stansen is fantastisch. We kunnen daardoor snel produceren en op die manier wat inkomsten voor de schoenmakerij generen.

Maar ook als een leerling op Magone afstudeert is het mogelijk voor hem een set patronen uit karton te stansen. Op die manier kunnen ze dan door zelf de onderdelen uit te snijden op eenvoudige wijze sandalen en/of slippers produceren in een eigen 'cordonnerie'.

Samen met een van de jongens ben ik daarna aan het eerst paar sandalen begonnen. Ik heb de rechter sandaal en hij heeft de linker. De rest kijkt mee. Voor de gein heb ik een 'nouveaux modèle'geïntroduceerd. Ik heb een paar zwarte sandalen voorzien van rode gespen! Binnen een uur hebben we een paar sandalen klaar. De jongens zijn enthousiast. VOoral de snelhedi daar staan ze versteld van. De sandalen zijn eenvoug van model, maar zeer sterk en te allen tijden toed te repareren.

Pater Manu loopt binnen met een jongen die lijdt aan de 'olifants-ziekte'Dat is een tropische huidziekte waarbij lichaamsdelen enorm kunnen opzwellen. Of wij misschien iets kunnen maken. Ik neem de omtreklijnen en maten van zijn voeten en we zullen een paar sandalen voor hem maken. Ik heb de betreffende onderdelen uit karton gestanst en deze handmatig aangepast. Dit patroon snijden we uit een stuk leer en ik zoek daar nog een paar passende voetbedden bij. Aan het einde van de voormiddag heb ik de jongens opdracht gegeven om de sandalen af te werken. Ik ben benieuwd.

In de namiddag gaan we op visite bij de burgemeester. We zijn aan de late kant en juist als wij aankomen rijdt de burgemeester weg. We worden hartelijk ontvangen door zijn vrouw madame Kaseba. Ze is een intelligente vrouw en goed geïnformeerd. Zowel zij als haar man hebben in Brussel gestudeerd. Haar man is begonnen met een baan bij de spoorwegen en is na een ambassadeurspost in Zuid-Korea uiteindlijk aangesteld als burgemeester van Lubumbashi. Vorig jaar heeft hij een onderscheiding van Unesco ontvangen voor zijn inzet voor zijn stad.

Deze stad heeft, volgens recente gegevens, 1,2 miljoen geristreerde inwoners. Madame Kaseba vertelt ons ook dat er door de oorlog in het oosten van het land enorm veel vluchtelingen in de stad zijn. Dit aantal is echter niet te schatten. Na nog een tweede stuk bananentaart die we moeten opeten, nemen we twee uur later afscheid van madam Kaseba.

De meeste reisverslagen eindigen op het einde van de middag en dat heeft een reden. De avonden hier zijn bijna identiek. We stoppen met werken, of zijn terug tussen 17.00 en 18.00 uur. Wij werken op Magone maar logeren op CDJ. Na ons werk lopen we terug. Als er water is douchen we, kleden ons om en lopen naar Bakanja waar we samen om 19.00 uur eten. Na het eten wisselen we nog wat sterke verhalen uit en om ongeveer 21.00 uur lopen we terug naar CDJ. Daar werken we op onze kamer o.a. nog aan het reisverslag. Tussen 10.30 en 12.30 uur naar gelang het werk gaan we naar bed.

Donderdag 27 juni 2002

Vanmorgen zijn we vroeg op Magone. Ik wil voor vertrek nog de vorderingen zien in de schoenmakerij.

Alle sandalen zitten in elkaar maar de zolen moeten nog worden afgewerkt. Ik heb een sandaal voor gedaan wat afwerking betreft, de andere sandalen worden door de jongens gedaan. Ondertussen werk ik aan een paar sandalen die ik van een Italiaanse vrijwilligster hier gekregen heb met de vraag of die nog te repareren zijn. Repareren was voor mij geen optie meer, maar de nieuwe term 'récuperé' doet nu zijn intrede. Ik heb de complete sandaal gesloopt en uit onze zending een paar passende voetbedden gehaald. De oude schacht op het nieuwe voetbed gemonteerd en een paar nieuwe zolen eronder. Et Voila!
Haar reactie later is “C’est une Miracle!”

Om een uur of tien heeft pater Manu een jeep geregeld en vertrekken we naar Sambwa. Hier is een oude missiepost van de Salesianen op zo’n 35 km van Lubumbashi. Nabij deze missiepost zijn we over een lokale markt gelopen. Ongelooflijk schouwspel waarbij je ver terug in de tijd geworpen wordt. Vanaf deze markt vertrekken een paar busjes tot de nok toe afgeladen met mensen en goederen, over een zeer slechte weg, terug naar de stad. Volgens pater Manu is deze weg in het regenseizoen niet begaanbaar. De ondergrond is hard en rotsachtig met een toplaag van heel fijn zand, rood van kleur. Als we nu over de weg rijden geeft dat een enorme stofwolk.

In het regenseizoen valt hier 120 cm water in 4 maanden tijd. Dat is meer dan in Nederland in een heel jaar. De wegen veranderen dan in rivieren en zijn spekglad. Doordat je het zicht op kuilen dan verliest is het dan gevaarlijk om te rijden. Door de erosie worden deze wegen dan nog slechter. Sedert de onafhankelijkheid worden de wegen niet of nauwelijks meer onderhouden. Onderweg zien we ook nog enkele koloniale huizen en boerderijen. Deze zijn allemaal verlaten en in verval geraakt. Je kunt aan de huizen nog wel zien dat dit ooit een welvarende streek moet zijn geweest. Deze huizen zijn niet bewoond. Niemand van de lokale bevolking zal in deze huizen gaan wonen.

Sambwa is het verste punt van deze reis en van hieruit rijden we terug. Onderweg eten we op Kansebula, een vormingshuis voor jonge Salesianen. We vervolgen onze weg naar de Kafubu vallei waar we nog een bezoek brengen aan het 'Lyceé Kwesu'. Een meisjesinternaat geleid door Salesiaanse zusters. Er zijn zo'n 300 meisjes intern. Vlak daarnaast ligt Ima Kafubu. Een jongensinternaat met zo’n 200 jongens intern. Dit was de eerste technische school van Katanga.

Om ongeveer 17.00 uur zijn we terug op Magone. De sandalen voor de jongen met olifant-ziekte zijn klaar. Ze passen prima in lengte en breedte alleen is voor zijn dikste voet de hielband te kort maar dat is snel opgelost. Hij krijgt de sandalen gratis. Pater Manu zegt dat hij maar reclame moet maken voor de 'Cordonnerie van Magone'.

We hebben te horen gekregen dat we morgen, vrijdag, onze koffers al op de procuur af moeten geven. Zij zullen dan zorgen voor de afhandeling op het het vliegveld. Zaterdagmorgen moeten we om 07.00 uur op het vliegveld zijn.

Vrijdag 28 juni 2002

Omdat we vanmiddag al onze koffers moeten inleveren nemen we ‘s morgens al afscheidvan de jongens van Magone. Men heeft ons verteld dat we een paar cadeautjes krijgen en deze moeten ook nog in de koffer. Naar het schijnt doorzoekt de douane alles en moeten we betalen voor de souvenirs die we meenemen. Je betaald per persoon en men adviseert ons alle souvenirs in één koffer te doen.

De jongens hebben een afscheidsfeest voorbereid in een van de klaslokalen. Ze hebben enkele dansjes ingestudeerd en dragen deze voor. Ze worden begeleid door een cassetrecorder maar ook door een eigen 'orkest'. Twee stokjes op een stoel, twee trommels en een fluitje.

Na een 'grande merci' en een wederzijdse toespraak nemen we enkele cadeautjes in ontvangst. We zijn er erg blij mee. Deze cadeaus hebben nu voor ons een zeer speciale betekenis. We eten gezamenlijk nog een soort oliebol. Deze is gemaakt van maïsmeel en ziet eruit als een oliebol maar smaakt beter.

Omdat het toch een beetje feest is krijgen de jongens ‘s middags rijst in plaats van de gebruikelijke boekari.
Na het afscheid van de jongens van Magone, maken we namiddag met de jongens een flinke wandeling. Mijn fotorolletje is nog net niet vol en deze wil ik nog graag in de omgeving maken. Drie jongens van de schoenmakerij begeleiden ons.
Vanuit Magone lopen we door een wijk die Kenia heet. Wat we daar zien is moeilijk te beschrijven en zeker niet te fotograferen. Volgens de jongens moeten we hier ook geen foto’s maken. Pater Manu heeft ons eerder al eens verteld dat 75% van de bevolking jonger is dan 25 jaar, dat wordt in de wijk nog eens bevestigd.
Volop belangstelling voor ons dus. We lopen over de lokale markt waar men maïs, pinda’s zeep, en balpennen verkoopt. Ook verkoopt men vis in diverse soorten. Gedroogd, bevroren en met vliegen, veel vliegen! Volop aandacht voor ons dus.

Een 'Mzungu' (= blanke) in hun wijk en dan ook nog met een 'Riballa' (= kletskop) dat zien ze niet elke dag.
Gaandeweg steken we het riviertje de Kafubu over en komen in de wijk waar Floribert woont. We zijn hier al eerder geweest. De sfeer hier is heel anders, minder bedreigend en fotograferen is geen probleem, maar op het moment dat je de camera te voorschijn haalt heb je minsten 12 kinderen voor je lens staan. Als je een minuut wacht met knippen zijn het er minstens 25. Ze gaan graag op de foto en verdringen elkaar om voorop te staan.

Vanavond zal er op Bakanja een afscheid zijn. We hebben dit al eens meegemaakt toen Jan, de man van Jacinta, vertrok. We hebben een speech voorbereid en vertaald in het Frans. Ton is redelijk in het Frans en samen met 'van Dale' op onze lap-top is dat gelukt.
Voor deze gelegenheid heeft de kok van Bakanja, een taart als dessert gebakken. Daarop is de chocoladehagel gestrooid die wij meegebracht hebben. De taart smaakt prima, maar het afscheid is onvermijdelijk.

Onder begeleiding van een gitaar worden er liederen gezongen in het Swahili. Dominique, een van de medewerkers, houdt een (te) lange toespraak en Manu maant hem lachend, dat hij nu niet moet gaan preken. Daarna spreekt ook Manu ons nog toe. We ontvangen een kaart getekend door alle medewerkers. Zij spreken daarop hun bewondering uit voor diegene die huis en haard verlaten om, onvoorwaardelijk, te delen met de armen.

Zaterdag 29 juni 2002

’s Morgens om 06.30 uur vertrekken we vanuit Cité des Jeunes naar het vliegveld. Daar ontmoeten we nog pater Manu die met een delegatie van 'zijn' jongens ons komt uitzwaaien. Het inchecken gebeurt met behulp van medewerkers van de procuur zonder problemen.
Nu nemen we definitief afscheid en om 08.30 uur vertrekken we met het vliegtuig om uiteindelijk om 20.00 uur op Brussel te landen.
Eerder in dit verslag heb ik al aangegeven dat de keuze om eerder te vertrekken achteraf gezien de juiste was. Ik ben tevreden over onze prestaties in deze twee weken. De periode nu was lang genoeg om uiteindelijk het in november tot een goed einde te brengen. Nog sterker ben ik er van overtuigd dat alles wat we m.b.t. de schoenmakerij voor ogen hebben ook haalbaar is.

Meer weten? Kijk ook eens op www.schoenmakerijvoorcongo.nl

 

Terug naar het overzicht